Steun ons en help Nederland vooruit

Publicaties

De geen-goede-morgen-buurman

De jaren negentig van de vorige eeuw. In het trappenhuis van mijn flat in Papendrecht ben ik bijna beneden, als ik een onbekende man zie staan met zijn rug naar me toe. Hij leegt zijn postbus. “Hallo buurman…” Geen reactie. Misschien hoorde hij me niet; nog maar een keer, nu harder: “GOEDEMORGEN”. Weer niks.
Ik heb het zó gehad met deze buurt, met de overlast en nu dit: zelfs geen goedemorgen meer! Ik loop verder tot ik bij mijn eigen postbus naast hem sta. Hij kijkt op. Ik kijk terug, zeg
nog maar eens: ja, eh… hallo! Hij kijkt me lang aan, zwijgend, en stormt dan naar buiten, stapt in zijn auto en scheurt met gierende banden weg.
On-ge-lo-fe-lijk!

Een maand later ben ik op mijn galerij. Een jonge man komt zijn flat uit en loopt richting het eerder genoemde trappenhuis. Het is de geen-goede-morgen-buurman.
Dan… in een flits dringt het tot me door… Ik heb hem wél eerder gezien. Ongeveer een half jaar geleden stond hij met zijn moeder aan mijn deur, omdat hij een flat in ons gebouw kon
huren en vragen had.
Oh, wat erg! Ik zet het op een rennen, achter hem aan. Boven aan de trap zie ik hem net de draai maken om het tweede trapgedeelte te nemen. Hij kijkt op, ziet me boven aan de trap
staan. Ik gebaar: stop! We blijven allebei als aan de grond genageld staan.
Dan begin ik met theatrale armbewegingen in steenkolengebarentaal uit te leggen: vier weken geleden (vier vingers, gebaar naar achteren), zag ik je beneden bij de postbussen. Ik herkende je niet… (wijzen op zijn en mijn ogen, schudden met hoofd). Ik was geïrriteerd dat je niks terug zei. Ik realiseerde me niet dat je … eh (beide wijsvingers naar mijn oren) …doof bent.
Sorry, ik zat fout.

Ik blijf staan, wacht op een reactie. Hij blijft staan, kijkt. Dan komt hij plotseling met grote stappen de trap op, op me af. Hij pakt mijn hand en trekt me mee, de galerij op. Ik verzet me niet. Hij stopt bij zijn flat, pakt zijn sleutel en opent de deur. Ik doe niets.
Dan laat hij mijn hand los en stapt naar binnen. Hij loopt naar een hoek van de gang, waar een emmer staat met een bos bloemen er in: voor zijn vriendin of zijn moeder? Hij pakt de
bloemen, loopt naar me toe en geeft ze aan me…

Een ander voorval. Tien jaar geleden. Mijn dochter is vijf jaar en we praten over waar mensen die we kennen goed in zijn. Vriendjes die goed kunnen fietsen, oma die goed kan
rekenen, papa die heel sterk is. Dan ben ik aan de beurt: “Jij kan goed in bed liggen, mama,” zegt mijn dochter. Een golf van teleurstelling spoelt over me heen. Ik ben niet gezond, dus ik lig soms overdag op bed. Dat uitgerekend dát zo opvalt. Wat erg!
Ik vraag haar met lood in de schoenen, waarom ze vindt dat ik zo goed in bed kan liggen. “Omdat,” zegt ze, “jij het beste kan kroelen, mama.”

Afgelopen weekend las ik in de Volkskrant een stukje van Margriet Sitskoorn, hoogleraar klinische neuropsychologie. Zij stelt dat onze hersenen er op gericht zijn om alleen te zien
wat aansluit bij wat we al denken. En dat we daar allemaal aan lijden.
Het enige dat helpt, is zoeken naar het tegendeel en tóch een vraag stellen, ook als je het antwoord al denkt te weten.
Zoals bovenstaande twee verhalen laten zien, kan die ene vraag, een wereld van verschil maken.

Trijntje van Es

(de column is ook gepubliceerd op Papendrecht.net)

Gepubliceerd op 12-06-2019 - Laatst gewijzigd op 12-06-2019